Kerst: Een kerst(boom)vertelling

Illustraties: Expreszo © Layla van der Oord

Cultuur

Marieke
18 December 2014

Nog een weekje en dan is het weer zover: kerst! Om alvast helemaal in de sfeer te komen schreef Expreszo-redacteur Marieke dit bijzondere kerstverhaal.

Een vogel die in de lucht zweeft en naar beneden kijkt ziet kleine, groene rondjes die netjes in het gelid staan. Een windvlaag doet ze salueren. Mooi naast elkaar, want zo zijn ze neergezet: orde en functionaliteit. De vogel vliegt lager en ziet de rijen. Hij kan er tussendoor kijken en het einde van het veld zien, maar als hij verder vliegt blokkeert de voorste dikzak het zicht op de rest met een breed, rond lichaam. Dan weer verder en de volgende rij wachtenden is in z’n geheel zichtbaar. Waar ze op wachten? Zo keurig netjes op één lijn? Ze wachten tot het jaar haar eind nadert. Wanneer het donkerder wordt en ze één voor één de groep verlaten. Maar het afscheid dient het levensdoel, de ultieme vervulling: ze worden kerstboom.

Ga nu eens bij de derde links – die dikke, met een uitstekend buikje – zet zeven reuzenstappen rechtdoor en dan nog vijf huppelpasjes, keer drie keer om je as en draai dan scherp naar rechts. Nee, niet daar! Je kijkt eroverheen! Richt je blik omlaag. Daar: het allerkleinste boompje van de groep. Vers geplant. Tussen de reuzen die gemoedelijk babbelen. Het staat op te kijken naar de buurbomen die zo zonder het kleintje op te merken ruisen over hun grootte en hun groente. Ze hebben het over geslingers en lampend licht, een enthousiast geritsel vertelt van pieken en dalen en een halfgebroken tak kan alleen maar over ballen van engelen kraken. Of klingelende ballen of zoiets. Waren het sneeuwballen? Het boompje snapt er eigenlijk vrij weinig van. Over één ding zijn ze het echter eens: zij zijn het uitverkoren bos, zij zijn de dennen die kerstboom worden!

Het boompje vraagt zich af waarom de buren links een rood lintje in hun kruin hebben en de bomen rechts een gele. Of het zelf een lintje bezit weet het niet. Het wil het vragen aan de dunne bibberboom schuin voor, die lijkt door onzekerheid over het lot bevangen en daardoor vertrouwt de kleine de dunne. Onzekere bomen, zo denkt het, zullen alleen iets verkondigen als ze menen dat het echt waar is. De dunne reageert alleen niet op het geschuif van naalden. De magere takken blijven stilhangen en antwoorden niets.

Plotseling valt alles om het boompje stil. Zelfs de tor die net langs de stam omhoog kroop blijft zitten en wacht af. De tor kriebelt een beetje, maar het boompje durft geen tak te bewegen. Een doffe klap echoot door het bos. De tor kruipt onder haar schild. Nog een klap. En nog één. Dan weer de stilte. En dan een plof.

Daar gaat er weer één, daar gaat er weer één! De buurbomen prikken elkaar voorzichtig met hun naalden. Heb je het gehoord? Daar gaat er weer één! Was het een rode of een gele? Ach, een gele? Ja, het spijt me het zo hard te moeten zeggen, maar die was toch al een korter leven dan wij roden beschoren. Is het niet altijd beter de verdoemden het eerst uit de weg te ruimen? Daar gaat toch minder aan verloren lijkt me. Ja, ik kan het fout hebben hoor. Prik me niet zo!

Het boompje probeert door het geroezemoes heen nog eens de dunne te bereiken en krijgt een voorzichtig antwoord dat zo ingewikkeld is dat het er lang over na moet denken. Mét of zonder kluit, krijgt het terug. Met of zonder kluit. Geel zonder kluit. Rood met kluit. De brandstapel voor geel, de mogelijkheid tot reïncarnatie voor rood. De dunne fluistert dat het zelf al eens rood was en na een volle maand in de warmte te hebben doorgebracht in dit bos terecht is gekomen.

Ik was zo zwaar behangen dat mijn takken alle kracht hebben verloren. Mijn sappen zijn vergiftigd met de zure wijn die de oma als niemand keek in mijn pot gooide.

Het kleintje heeft geen idee wat zure wijn is, of een pot, maar het begrijpt dat rood beter is dan geel, al klinkt de dunne vermoeid. Het durft niet te zeggen dat de dunne nu een geel lintje heeft. Over een eigen lintje durft het al helemaal niks te vragen, maar het hoopt dat het geen lintje heeft. Mét of zonder kluit. Het klinkt allebei maar beperkt, al weet het niet waarom.

De buurbomen discussiëren nog steeds over het eerder gaan van de gelen of de roden. Ook de tor spits haar oren om er meer van te kunnen begrijpen. Blijkbaar hebben die klappen en de plof iets te maken met de discussie. En tóch, zegt een gele, ben ik nog altijd liever kerstboom – al kan ik het maar één keer zijn – dan dat ik zelfs dát niet bereik!

Het is alweer donker geworden, al merkt de kleine boom daar weinig van, omdat het eigenlijk altijd in de schaduw staat. Maar het weet dat het donker is, omdat de buren stiller worden en de tor in het holletje in de stam net onder de derde tak van rechts is gekropen. Ook de vogel, die af en toe in de aarde rond het boompje pikt en wat rondscharrelt, is verdwenen.

Ach, schudt het boompje, ach, wat is kerst? Wat is een kerstboom? Een rode of een gele kerstboom, is dat alles wat ik kan zijn?

De Klapklapplof houdt het boompje bezig. Iets dat de buurbomen zo muisstil krijgt moet wel beter zijn dan kerst, zo redeneert het. Over kerst kunnen ze maar niet ophouden, terwijl ze er nooit iets nieuws over zeggen en het boompje het nooit een snars beter begrijpt. Nu het boompje er toch bij stilstaat: hoe kunnen de bomen die nooit al echt kerstboom zijn geweest weten waar ze over spreken? Nee, besluit het boompje, ze praten elkaar maar na, terwijl ze er de ballen verstand van hebben. Ze herhalen het zo vaak dat het een zekerheid wordt. Een zekerheid van lucht gemaakt.
Nee, dan de Klapklapplof. Die doet iedereen stilstaan; zelfs de kleinste gedachte mag niet bewegen. En van de Klapklapplof weet het boompje tenminste zeker dat het bestaat. Al is dat ook meteen het enige dat het weet. Het boompje denkt steeds minder na en blijft hangen bij de leegte van het niet weten wat de Klapklapplof is, voordat het langzaam helemaal stil wordt.

Het is al halverwege de nacht als de tor het holletje in de stam net onder de derde tak van rechts uit kruipt. Ze kijkt om zich heen en loopt op voorzichtige pootjes naar beneden om de vogel te begroeten die daar al een tijdje stil zit te wachten. Ze kijken elkaar even aan. Het licht van een felle ster reflecteert fonkelend in de kraaloogjes van de vogel. De vogel knikt. Hij heeft zijn werk gedaan en samen met de wormen die in de grond onder zijn pootjes leven de boomwortels vrijgemaakt. De tor knikt ook. Zij heeft naar het hart van het boompje geluisterd en weet dat het klopt. De stilte houdt de adem in. Het weet wat er gaat gebeuren: de stilte kent alle geheimen van de wereld. Het donker rondom het boompje vervaagt een beetje. De vogel voelt de aarde onder zijn pootjes wegzakken en hupt snelt op de onderste tak van het boompje. Ook de tor voelt beweging. De lucht beweegt langs haar schild naar beneden, terwijl de stam waarop ze zit omhoog gaat. Het donker begrijpt dat het nu tijd is om te laten zien wat ze kan. Alles omringt ze met haar armen terwijl de eerste klap de stilte wegjaagt. Nog een klap. En nog één. De plof volgt als laatst. 

De dag breekt aan en de bomen bewegen voorzichtig hun stramme takken. Goedemorgen! Hoeveel dagen nog tot kerst? Ooh, weet je wat mijn lievelingskleur voor een geslinger is: blauw. Waarom is dat niet mooi? Te koud? Je bent zelf te koud! Ach, hoepel toch op, met je gele strik. Oh, kun je niet ophoepelen? Moge de Klapklapplof je komen halen!

Geen van de buurbomen merkt op dat hun takken net iets meer ruimte hebben om te kraken. Dat hun naalden net iets verder kunnen prikken dan eerder. Geen van hun schaduwen heeft door dat ze gisteren nog over een klein boompje bewogen en nu slechts een omgewoeld stukje aarde met hun vorm bedekken.

Alleen de dunne voelt een herinnering bewegen die spreekt van kleine, vragende takjes. Het is alleen te moe en niet nieuwsgierig genoeg om zich af te vragen waar die herinnering vandaan komt, en waarom het lijkt alsof er geen kleine, vragende takjes meer zijn.

De vogel hoog in de lucht heeft het zwarte gaatje in de groene orde wel opgemerkt. Hij zweeft er een lui rondje boven, voordat het vertrekt naar verre oorden.

En het boompje en de Klapklapplof? Die staan op een plek waar geen van de buurbomen ooit vanaf zal weten. Het boompje voelt de nieuwsgierigheid in zich groeien en beweegt alle takjes tegelijk in een stortvloed van vragen.

Ach, zegt de Klapklapplof. Ik ben maar een afleidingsmanoeuvre. Alleen mijn geluid is genoeg om de bomen te laten bibberen van angst. Angst voor het onbekende. Op deze plek, boompje, ben je niet geplant om iets te worden waarvan je niet weet wat het is. Stel je vragen maar, al moet je weten dat de waarheid een lastig ding is om te pakken te krijgen. Als je vrienden kunt worden met de stilte ben je al een heel eind. En de kleur van je strikje? Sorry, die is vannacht uit je kruin gevallen. Misschien was het wel een oranje.

Door Marieke

Kijkt graag hoe stabiel hokjes staan door er kleine duwtjes tegenaan te geven. Misschien vallen ze een keer om.

Meer van Marieke »